Tweetaligheid is geen probleem

Sieneke Goorhuis

Orthopedagoog en spraakpatholoog bij Stenden Hogeschool

Foutieve aannames

In het beleid rond jonge kinderen doen een aantal misverstanden de ronde. In een aantal artikelen worden deze foutieve aannames tegen het licht gehouden. In dit artikel wordt besproken of het terecht is dat tweetaligheid als een probleem gezien wordt.

Misverstand: tweetaligheid is een probleem

De eerste vooronderstelling in het huidige beleid rond jonge kinderen is dat tweetaligheid een probleem is. Immers het beleid is ingezet om taalachterstanden bij allochtone kinderen te voorkomen. Nog steeds heerst de opvatting dat tweetaligheid voor kinderen, en dan met name voor kinderen uit lage sociaal-economische milieus, een risico voor taalachterstand is. Deze opvatting is onjuist.

Uitgaande van de neurobiologische processen bij het taallerend kind kunnen we ons baseren op twee wetten vanuit de linguïstiek. In de eerste plaats de wet van Grammont uit het begin van de twintigste eeuw, die luidde: “Indien elke ouder consequent zijn eigen taal blijft spreken tot het kind zijn er geen problemen”. In de tweede plaats de Cummins-hypothese (1981), die luidde:”Wanneer er voldoende expositiemogelijkheid is tot de tweede taal, zal deze tweede taal een beroep doen op het niveau van ontwikkeling van de eerste taal, de moedertaal”. Deze hypothese leidde tot een grote promotie van onderwijs in eigen taal en cultuur. Zowel Grammont als Cummins hebben gelijk, er moet alleen onderscheid gemaakt worden tussen simultane en successieve tweetaligheid, zie tabel 1.
Tabel 1 Simultane en successieve tweetaligheid
Simultane tweetaligheid Successieve tweetaligheid
Twee moedertalen Een tweede taal
0 tot 7 jaar (twee talen tegelijkertijd) Vanaf ongeveer 10 jaar
Overlappende hersenactiviteit Geen overlappende hersenactiviteit
Spontaan ontwikkelingsproces Leerproces vanuit vertalen.

Simultane tweetaligheid

Wanneer kinderen in de eerste zeven jaar van hun leven twee talen enigszins gebalanceerd en in kwalitatief goede interacties aangeboden krijgen, bouwen ze twee taalsystemen op, die beide ook worden vastgelegd in de primair sensorische hersenschors. Het eerste spraak- en taalverwervingsproces, de ontwikkeling van één of twee moedertalen, ontstaat doordat door het taalaanbod vanuit de omgeving hersencellen zich ontwikkelen. Ze gaan verbindingen aan met andere hersencellen en er ontstaan belangrijke functionele hersengebieden die de basis vormen voor taalgebruik. Bij een tweetalige opvoeding overlappen de hersengebieden elkaar. Voor dit proces wordt een kritische en gevoelige leerperiode aangenomen van 0 – 7 jaar.
Mogelijkheden voor een tweetalige opvoeding zijn bijvoorbeeld dat vader de ene taal spreekt en moeder de andere of dat één van beide talen op een bepaald moment op de dag wordt gesproken. Ook kunnen schooltaal en thuistaal onderscheiden zijn. Onderzoek rond de projecten van Early Bird, waarin binnen kleuterklassen gedurende een paar uur per week Engels met de kinderen wordt gesproeken, hebben aangetoond dat ook deze aanpak effect heeft (Goorhuis & de Bot, 2010).

Successieve tweetaligheid

Wanneer twee talen na elkaar geleerd worden, werkt de opgebouwde taalvaardigheid van de eerste taal (de moedertaal) door in de tweede taal. Er vindt een denk- en vertaalproces plaats vanuit de eerste taal. Naarmate de eerste taal steviger is opgebouwd en er ook bewustzijn is van taalregels, kan de tweede taal beter geleerd worden.
De meeste kinderen hebben ongeveer de periode van hun zesde tot hun twaalfde jaar nodig om zover te komen.
Tweetaligheid bij kinderen hoeft dus geen enkel probleem te vormen wanneer kinderen de twee talen vroeg aangeboden krijgen, tussen 0 en 7 jaar. Voorwaarde hierbij is dat de taal voor het kind gekoppeld wordt aan een bepaalde persoon (vader/moeder), een bepaalde situatie (thuis/school), een bepaald vast moment op de dag binnen het gezinsleven of  een bepaald vast blok binnen een curriculum.
Wil men bijvoorbeeld allochtone kinderen een eerlijke kans op twee moedertalen geven dan zou het een oplossing zijn als thuis de eigen taal wordt gesproken, maar dat de kinderen vanaf twee of drie jaar Nederlandstalige peuterspeelklassen en basisschoolklassen bezoeken. Er is dan een lange periode, binnen de kritische en gevoelige taalleerperiode, waarin de kinderen twee talen naast elkaar kunnen leren. Evenmin is het een probleem wanneer de tweede taal wordt aangeboden nadat het eerste bewustwordingsproces rond taalregels op gang is gekomen, ongeveer vanaf tien jaar.
Een zesjarig jongetje zoekt samen met zijn  Engelssprekende vader gebakjes uit voor bij de koffie. Ze wonen in een stad waar vanwege een bepaald bedrijf veel Engelssprekende mensen wonen. Hij heeft ook een Engelssprekende moeder, maar al vanaf de peuterklas verkeert hij naast de Engelstalige thuissituatie ook in een Nederlandssprekende omgeving.
Vader: ‘Which one do you want?’
Kind: ‘The yellow one’
Vader: ‘All right, would you please order?
Kind: ‘Mag ik vier bananengebakjes?
Een Nederlandse, en daarmee ook Nederlandssprekend gezin bestaande uit vader, moeder en twee dochters, woont in de Ardennen, waar de kinderen vanaf hun vierde jaar naar en Franssprekende school gaan. Het gezin heeft een huis in Friesland, waar ze alle vakanties doorbrengen. De  kinderen zijn op het moment van observatie vijf en zes jaar oud. De talige situatie is aldus. Met hun ouders spreken de kinderen Nederlands, onderling spreken de kinderen ,vooral als ze samen spelen, Frans en met de speelkameraadjes in Friesland spreken ze Fries.

Conclusie

Samenvattend komt het er op neer dat het onterecht is om aan te nemen dat tweetaligheid een probleem is voor jonge kinderen. Onder de juiste condities is het zeker geen probleem en kan het een gezonde taalontwikkeling juist stimuleren.